De Oudchristelijke Wereld 200-600 - Een Iconografische Studie NIEUW
Hardcover met lichte gebruikssporen, algeheel in nieuwstaat, zonder inschrijvingen.
De Verbeelding Van Het Woord - De Oudchristelijke Wereld 200-600-een iconografische studie.
- Auteur: Gerard Wellen - Peter van Dael
- Uitgever: Gooi en Sticht
- Nederlands
- Hardcover
- 9789030409632
- 29 november 2003
- 261 pagina's
De verbeelding van het Woord. 1: De oudchristelijke wereld (200-600) is een diepgravende iconografische studie geschreven door theoloog en kunsthistoricus Gerard Wellen. Het boek verscheen in 1999 bij uitgeverij Gooi & Sticht en vormt het eerste deel van een reeks over de christelijke beeldtaal door de eeuwen heen.
Kerninhoud en Doel
De studie onderzoekt hoe het christelijke geloof en de Bijbelse verhalen (het 'Woord') voor het eerst visueel vorm kregen in de beeldende kunst tussen de 3e en de 6e eeuw. In deze transitieperiode ontwikkelde de vroege Kerk een geheel eigen symbolen- en beeldtaal om theologische concepten over te dragen. Dit was essentieel in een grotendeels analfabete samenleving.
Belangrijkste Iconografische Thema's in het Boek
- Van Symbool naar Narratief: Wellen beschrijft de evolutie van cryptische, discrete symbolen uit de vroege catacombenkunst (zoals de vis/Ichthus, het anker en de duif) naar complexe Bijbelse geschiedenissen op sarcofagen en in monumentale kerkmozaïeken.
- De Goede Herder en Orpheus: Uitgebreide aandacht voor de vroege adoptie van de Romeinse en Griekse beeldtaal. Christus werd aanvankelijk vaak afgebeeld als de baardeloze 'Goede Herder' of gelinkt aan de mythologische figuur Orpheus, wat symbool stond voor de overwinning op de dood.
- Grafkunst en Verlossing: Analyse van vroegchristelijke sarcofagen. Centraal staat de verlossingsgedachte: Oudtestamentische verhalen zoals Jona en de walvis, Daniel in de leeuwenkuil en De drie jongelingen in de vuuroven fungeerden als voorafspiegelingen (prefiguraties) van Christus' opstanding en de redding van de ziel.
- De Hand van God (Dextra Dei): Het boek behandelt specifieke iconografische motieven zoals de verschijning van Gods hand vanuit de wolken, wat de goddelijke aanwezigheid en interventie symboliseerde zonder God de Vader antropomorf af te beelden.
- De Keizerlijke Christus: De omslag na het Edict van Milaan (313 na Chr.), waarbij het christendom werd gelegaliseerd. Dit veranderde de kunst radicaal: Christus werd vanaf dat moment niet meer alleen als leraar of herder afgebeeld, maar kreeg de koninklijke attributen van de Romeinse keizer (zoals de troon, het purper en de aureool).
Methodologie en Structuur
Als iconografische studie hanteert Wellen een methode die kunstwerken niet louter op esthetische waarde beoordeelt, maar de diepere theologische, historische en liturgische betekenis blootlegt. Hij legt voortdurend de link tussen de vroege kerkvaders, de antieke Romeinse cultuur en de opkomende christelijke liturgie om te verklaren waarom bepaalde visuele keuzes werden gemaakt.
Het boek is chronologisch en thematisch opgebouwd en behandelt onder meer:
- De kunst in de ondergrondse catacomben en huiskerken (vóór 313).
- De bloei van de monumentale basilieken en mozaïekkunst na de legalisatie van het geloof.
- De dogmatische ontwikkelingen (zoals de concilies) en hoe deze direct van invloed waren op bijvoorbeeld de weergave van Maria als Theotokos (Moeder Gods) of de Drie-eenheid